Coureur of cabaretier?

TOON HERMANS KEEK NIET NAAR WIELRENNEN, HIJ KEEK NAAR WIELRENNERS

Door: Martijn Sargentini
Toon Hermans was een wielerliefhebber. Hij volgde alle klassiekers en rondes. Hij schreef het voorwoord bij Jan Derksen, met banddikte (1961), en in dat boek staat een opmerkelijk zinnetje. Niet in het voorwoord zelf, dat beperkt zich hoofdzakelijk tot de vriendelijke opmerking van Hermans dat zijn vriend Derksen hem leerde om na iedere valpartij weer op te staan, en het applaus nooit te overschatten. Het is een uitspraak van Derksen, verderop in het boekje, die nieuwsgierig maakt: ‘(…) mijn vriend Toon Hermans [heeft] ook jarenlang gedacht dat zijn grote talenten op de piste lagen, in plaats van op het toneel’. Was Toon Hermans wielrenner? En was hij liever coureur dan cabaretier?

2016 is het jaar van de honderdste geboortedag van Toon Hermans. Hij werd op 17 december 1916 geboren in Sittard, en overleed op 22 april 2000. Over het leven van Toon Hermans schreef Jacques Klöters in 2010 het boek Toon, de biografie, en daarin staat niets over Toon de wielrenner. Wel over Toon de sportliefhebber die voetbalwedstrijden, autoraces en wielerkoersen bezocht in het gezelschap van zijn vrienden Willy Alberti, Theo Koomen en Jan Derksen.

In het tijdperk waarin het Nederlandse wielrennen in 1968 voor het eerst een Tourwinnaar mocht huldigen, stond Hermans regelmatig aan de start om ‘een babbeltje’ te maken met de grootste kampioenen. Met Jan Derksen, tijdens de jaren zestig coach van de Nederlandse sprinters, bezocht hij het Olympisch Stadion waar op de steile betonnen piste vaak baanwedstrijden werden gehouden. Ook bij de Zesdaagsen kwam Hermans graag. Derksen bezocht op zijn beurt de premières van Hermans’ theatervoorstellingen.

Toon Hermans bij de start van een wielerkoers, met Jan Janssen die in 1968 de Tour de France won. Archief Stichting Toon Hermans.

Heerlijkste mensen
Kijken naar wielrennen was voor Hermans een manier om ongecompliceerd te kunnen bewonderen, zoals hij dat ook deed vanaf tribunes in voetbalstadions en circustenten. Alles beter dan de knellende omgang met collega’s uit het theatervak, met wie het op feesten en partijen altijd uitdraaide op smalltalk en het uitwisselen van halve leugens over de kwaliteit van elkaars werk. Wanneer Toon Hermans zich omringde met de sterren, dan was dat bij voorkeur op de eretribune van een zesdaagse.

Hermans was zelf ook populair bij de sporters, die hem graag zagen optreden. De Limburgse renners Eddy Beugels, Wim Schepers en Harrie Steevens noemden unaniem de naam van Hermans, toen hun in 1968 door het Limburgsch Dagblad werd gevraagd naar hun idolen. Steevens: ‘De Bee Gees en Toon Hermans. Die is zo sympathiek.’ Eddy Beugels: ‘Hermans zegt de dingen zoals ik ze zelf graag zou willen zeggen, maar niet kan.[1]

Vooral van het kijken naar de coureurs hield Hermans. Bij baanwedstrijden bekeek hij vanaf de tribune de grimassen van renners in surplace, het schuilen achter brede ruggen en grote motoren, van pijn vertrokken gezichten en blikken vol vreugde. Hij leerde ervan: van de mimiek, de poses, het spektakel op de piste. Goed kijken en beelden opslaan die hij, als clown en entertainer, zelf weer kon gebruiken. Hermans, in 1965 tegen het Limburgsch Dagblad: ‘Sportmensen, dat zijn de heerlijkste mensen die ik ken. Ze zeggen weleens dat die mensen weinig ontwikkeling hebben, maar is het niet even belangrijk voor een mens dat hij ook zijn lichaam ontwikkelt?’ En:

‘Weet je wat ik nou zo gewéldig waardeer in sport? Dat is de wilskracht die er vanuit gaat. Daar gaat ’n mannelijkheid van uit, hè, ’n kracht… enorm! Als je de sportmensen vergelijkt met andere groepen uit de bevolking, dan blijft er van die anderen niets over! (…) Er zijn zo’n slappe mensen in de maatschappij, je weet wel, van die “unbalanced people”, mensen die nog geen levensstijl gevonden hebben, die nozems, die op de hoeken van de straten staan te hangen. Maar sportmensen, dat zijn jongens met karakter.’[2]

Toon met de wilskrachtige Jacques Anquetil, vijfvoudig winnaar van de Tour de France. Archief Stichting Toon Hermans.

Blijvende fascinatie
Hij was naast zelfbenoemd voetbaldeskundige ook iemand met verstand van wielrennen. Maar: Hermans beweerde van veel zaken veel verstand te hebben. In Liggen in het gras schreef hij:

‘Ik kijk bijvoorbeeld naar een groep wielrenners en ik denk: “die ene daar, dat is een echte, een coureur ten voeten uit.” Hij zit anders op zijn fiets dan de mindere goden, er is iets met zijn petje, met zijn sokken, hij verschijnt anders aan de start en als hij zwaait naar het volk op de tribunes is er iets anders in zijn manier van zwaaien. Dat moet toch ergens diep van binnen zitten. Het is de openbaring van de persoon. Zijn houding wordt niet bepaald door het karkas zelf, de houding is slechts een weerspiegeling van wat daarbinnen leeft, voelt en denkt.’[3]

Ergens tijdens zijn Limburgse jeugd trok een koers voorbij en die liet een blijvende fascinatie bij hem achter. ‘Ik ben vaak met “miene papa” in een wagen achter de renners aan gereden’, vertelde hij tegen het Limburgsch Dagblad.[4]

Zijn vader, een bankdirecteur, bezat een grote, open wagen waarmee ze naar de wedstrijden trokken. Ooit zagen ze een wielrenner vloekend langs de kant van de weg staan na een lekke band. Toon Hermans kon dat beeld tientallen jaren later nog oproepen in zijn dagboek Tussen mei en september:

‘Ik had geen enkele aandacht meer voor de groep die voor ons uitreed in de gelijkmatige cadans, ik keek alléén maar om en zag de ongelukkige man bij de boom. Maar we reden voort, achter het peloton aan, en het mannetje bij de boom werd zienderogen kleiner en zienderogen eenzamer, verlatener.
“Vader.”
Maar vader bleef strak voor zich uitkijken onder de wollen Star-pet en hij mompelde: “Jongen, er blijft er altijd wel een achter.”
Dat maakte het allemaal nog erger en ingewikkelder. Altijd blijft er een achter, en mijn vader, die aardige lieve man, hoe kon die zo hard zijn en doorrijden?’[5]

Verzinsel van Derksen
Had hij zelf renner willen zijn, zoals zijn vriend Jan Derksen beweerde? Biograaf Jacques Klöters denkt van niet. ‘Toon had een roestige hometrainer waarop hij iedere dag trainde. Bij mooi weer stond het ding buiten, op de oprit voor zijn grote huis in Hilversum. Dan trainde Toon om in conditie te blijven voor zijn shows. Voor zover bekend reed Toon Hermans nooit op een racefiets.’

Toon treedt op, met in de zaal aan tafel tennisser Tom Okker (links) en baanrenmaestro Jan Derksen. Archief Stichting Toon Hermans.

‘Het is een verzinsel van Jan Derksen’, bevestigt zoon Maurice Hermans. Zijn vader heeft volgens hem nooit een carrière als renner geambieerd. Maurice reed zelf wel op een baanfiets. Die had hij gekregen van ‘ome’ Jan Derksen. Als kind luisterde Maurice eindeloos naar de verhalen van de sprintlegende. Als Jan langs kwam, mocht Maurice met zijn broertjes langer opblijven.

Toon Hermans was geen renner. Hij keek ook niet naar wielrennen, hij keek naar wielrenners. Als hij op de piste stond, was het om een zesdaagse in gang te schieten. Toon Hermans kon naar eigen zeggen goed schieten. Dat had hij geleerd op de kermis, door goed naar anderen te kijken.

Noten

[1] Limburgsch Dagblad, 7 mei 1968.

[2] Limburgsch Dagblad, 17 mei 1965.

[3] Hermans, Toon, Liggen in het gras. Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1979. 172-173.

[4] Limburgsch Dagblad, 17 mei 1965.

[5] Hermans, Toon, Tussen mei en september. Dagboek. Baarn: Fontein, 1976, 170.

Verdere bronnen

Nelissen, Jean, Het intrigerende wielerleven van Jean Nelissen. Utrecht: VIP, 2010.
‘Een Tourbabbeltje met Toon Hermans.’ De Telegraaf (9 juli 1959).

Toon Hermans